
Er zijn drie soorten pensioen :
Het ouderdomspensioen gaat in vanaf de pensioendatum en loopt totdat je doodgaat. Het wordt meestal per maand uitbetaald. Soms kun je het ouderdomspensioen eerder laten ingaan. Het pensioen wordt dan lager. Ook kun je soms je pensioen uit te stellen. Dan wordt het pensioen hoger. Wil je meer weten over vervroeging of uitstel van je pensioen? Raadpleeg je pensioenreglement of informeer bij je werkgever of pensioenuitvoerder.
Nabestaandenpensioen is het pensioen dat na jouw dood uitgekeerd wordt aan je nabestaanden. Er bestaat pensioen voor:
Het partnerpensioen wordt na jouw dood uitgekeerd aan je partner.
Kijk goed na of jouw partner in aanmerking komt voor het partnerpensioen. Als er een partnerpensioen is, komt de huwelijkspartenr of de partner die als partner geregistreerd is bij de burgelijke stand daarvoor in elk geval in aanmerking. Als je ongehuwd samenwoont zonder registratie is dat niet altijd het geval. Ook niet als er een samenlevenscontract is. Kijk dus goed in je pensioenregeling of je partner voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor partnerpensioen.
Bij een partnerpensioen op risicobasis ben verzekerd tegen het risico van je overlijden. Als je doodgaat terwijl je deelneemt aan de pensioenregeling krijgt je partner een partnerpensioen. Wanneer de premiebetaling stopt (bijvoorbeeld bij ontslag of op de pensioendatum) vervalt de verzekering en is er geen partnerpensioen meer. Is je partnerpensioen op risicobasis verzekerd, dan vervalt het pensioen bij ontslag. Na een echtscheiding heeft je ex-partner geen aanspraak op partnerpensioen. Op de pensioendatum is er evenmin een partnerpensioen. Wel heb je de mogelijkheid om bij ontslag en bij pensionering een deel van je ouderdomspensioen in te ruilen voor een partnerpensioen. Je ouderdomspensioen wordt daardoor wel lager.
Als je partnerpensioen opbouwt, vorm je een 'potje'. Hieruit ontvangt je partner na jouw dood een uitkering. Stop je met opbouwen, omdat je bijvoorbeeld niet meer aan een pensioenregeling meedoet, dan houd je recht op het partnerpensioen dat tot dan toe is opgebouwd. Als je partnerpensioen is opgebouwd, houd je recht op het pensioen bij ontslag. Na een echtscheiding houdt je ex-partner recht op het partnerpensioen dat tot de datum van echtscheiding is opgebouwd. Je kunt het opgebouwde partnerpensioen, met instemming van je partner, op de pensioendatum in ruilen voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen.
Het wezenpensioen wordt na jouw dood uitgekeerd aan je kind(eren). Het gaat vaak om een halfwezenpensioen (er is nog één ouder in leven). Meestal stopt het wezenpensioen op 18- of 21-jarige leeftijd. De uitkering kan langer doorlopen (tpt bijvoorbeeld uiterlijk het 27e jaar) als je kind studeert of arbeidsongeschikt is. Als beide ouders (verzorgers) dood zijn krijgen de achtergebeleven kinderen (volle wezen) meestal een dubbel wezenpensioen.
Het arbeidsongeschiktheidspensioen is een aanvulling op de wettelijke arbeidsongeschiktheidsregeling, de WIA. Het arbeidsongeschiktheidspensioen eindigt wanneer je de pensioendatum bereikt. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid krijg je ook maar een deel van het pensioen. Lang niet alle bedrijven kennen een regeling voor een arbeidsongeschiktheidspensioen. Wel is in de meeste pensioenregelingen vastgelegd dat bij arbeidsongeschiktheid de opbouw van ouderdoms- en partnerpensioen gewoon wordt voortgezet, zonder dat je premie betaalt.